Adviezen 2007

2007/04 Natuurlijk vissen op de Waddenzee

2007/04 Natuurlijk vissen op de Waddenzee

Waarom dit advies?
In de pkb Waddenzee (Derde Nota Waddenzee) en het Beleidsbesluit Schelpdiervisserij 2005-2020 (Ruimte voor een zilte oogst) is het kabinetsbeleid opgenomen ten aanzien van de visserij op de Waddenzee. Het beleid beoogt een ecologische en economische ontwikkeling in de Nederlandse visserijsector tot een duurzame activiteit in het Waddengebied. Het is evenwel de vraag in hoeverre een duurzame en economisch gezonde visserij in de Waddenzee haalbaar is binnen de gestelde termijnen en binnen de randvoorwaarden zoals die in het beleid zijn neergelegd. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft daarom de Raad voor de Wadden gevraagd om te adviseren over de vraag of duurzame Waddenvisserij -  vanuit het ingezette beleid - tijdig haalbaar is en welke verbeteringen er mogelijk zouden moeten worden aangebracht.

Waar gaat het over?
Op de Waddenzee vinden verschillende visserijactiviteiten plaats die ieder op hun eigen wijze (potentiële) effecten hebben op de natuurwaarden van het gebied. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in
- bodemberoering (mosselzaadvisserij, handkokkelvisserij en garnalenvisserij);
- effecten op de voedselketen (het onttrekken van voedsel van schelpdieretende  vogels die in het gebied fourageren);
-  effecten op het ecoysteem (doordat schelpdieren tijdelijk zwevende stof vasthouden);
- bijvangsten en discards;
- en verstoring.
Tenslotte wordt gewezen op een mogelijk effect van niet-visserij: de (verdere) verspreiding van de Japanse oester in de Waddenzee, met als gevolg zowel een negatief (verdringing andere soorten, terwijl het niet als voedsel voor vogels dient) als een positief effect (vormt nieuwe banken).

Wat is het huidige beleid van de overheid?
In het verleden was het beleid vooral gericht op de bescherming van de visbestanden. Sinds de jaren tachtig in de vorige eeuw worden er steeds meer randvoorwaarden vanuit andere beleidsterreinen (met name natuurbeleid) gesteld.

In de Structuurnota Zee en Kustvisserij (1992), dat voor alle vormen van schelpdiervisserij geldt, wordt gestreefd naar ruimtelijke verweving van de functies visserij en natuur. In het uiterste geval (als de andere maatregelen niet werken) kunnen er gebieden worden gesloten (zoals dat met het oostelijke Waddenzee is gebeurd) . De nota stelt het rijk verantwoordelijk voor het beleidskader en de sector voor de uitvoering. Via jaarlijkse bestandsopnames wordt de vereiste voedselreservering voor vogels en het te bevissen quotum vastgesteld. De vissers stellen vervolgens visplannen op. Deze worden - sinds 1998 - jaarlijks getoetst aan de Natuurbeschermingswet. Sinds kort vindt er ook nog een toetsing aan de "Instandhoudingsdoelstellingen" plaats als gevolg van de aanwijzing van de Waddenzee tot Natura 2000-gebied.

In 2004 zijn het beleidsbesluit 'Ruimte voor een zilte oogst' voor de schelpdiervisserij in de kustwateren en de Noordzeekustzone en het beleidsbesluit 'Vast en Zeker' voor de visserij met vaste vistuigen (zoals fuiken en staande netten) in de Waddenzee en de Zeeuwse kustwateren, vastgesteld. Het beleid in deze nota is gericht op verdere verduurzaming van beide sectoren. De mechanische kokkelvisserij is op basis van het eerste beleidsbesluit gestopt en daarmee is ook het voedselreserveringsbeleid geëindigd. Van de mosselsector wordt voor 2020 de benodigde verduurzaming verwacht, via wellicht mosselzaadinvangstinstallaties (MZI's)en de optimalisatie van kweekpercelen. In het beleid wordt de mogelijkheid tot het handmatig rapen van Japanse oesters genoemd. Tenslotte zijn er - vooral als gevolg van afspraken met Duitsland en Denemarken - zgn. ecoplots ingesteld, om vooral meer zicht te krijgen op de effecten van de garnalenvisserij. Het beleid vindt zijn weerslag in de Derde Nota Waddenzee. Daarnaast zijn de meeste visserijvormen op de wadplaten thans ook verboden.

Wat onderneemt de overheid?
Naast beleidsbepaling initieert de overheid onderzoek naar ecologische effecten van visserij activiteiten, werkt het concrete randvoorwaarden uit en stimuleert zij innovaties (onder andere via vis innovatieplatforms) gericht op verduurzaming. Zo vindt er voor de mosselsector onderzoek plaats naar de optimalisatie van kweekpercelen en experimenten met MZI's en wordt onderzoek gedaan naar de natuurwaarden van sublitorale mosselbanken.

Voor de garnalenvisserij is een ecoplot ingesteld. Deze ecoplot maakt het (op termijn) mogelijk om beviste en onbeviste delen van de Waddenzee met elkaar te vergelijken wat betreft de effecten van garnalenvisserij op de bodem en het bodemleven. Verder is meer kennis nodig over de bijvangsten, de overleving van bijvangsten in de verwerkingsapparatuur en de overleving van discards na het terugzetten in zee. Dit onderzoek is ook van belang voor de MSC-certificering van de garnalenvisserij en zal naar verwachting worden geïntegreerd in het traject van certificering.
Voor de vaste vistuigen visserij vindt onderzoek plaats naar de bijvangsten in de visserij met fuiken en staande netten relevant. De uitkomsten van dit onderzoek zullen uiteindelijk bepalend zijn voor de vraag of de staandwantvisserij op de droogvallende platen kan doorgaan.
Tenslotte zal er in 2008 een pilotproject inzake geïntegreerde visserij van start gaan. Het experiment met het handmatig bevissen van de Japanse oester is nog niet begonnen.

Wat doet de sector zelf?
Groepen ondernemers in de Waddenzeevisserij en maatschappelijke organisaties zijn in de afgelopen jaren uiteenlopende initiatieven gestart die gericht zijn op een duurzame toekomst en/of meer bestaanszekerheid voor de bedrijfstak.
Verenigd in de Stichting ODUS heeft de Nederlandse schelpdiersector in 2004 haar visie gepresenteerd in 'Uit de Schulp' en 'Het roer moet om'. De hoofddoelstelling van de visie is een ecologisch verantwoorde schelpdiervisserij met een brede maatschappelijke acceptatie. Voor de mosselsector zet de ODUS-visie in op:
- mosselzaadinvanginstallaties (MZI's);
- hatcheries/nurseries;
- optimalisatie van percelen en optimalisatie van de benutting van mosselzaad;
-  visplannen.
Het ontwikkelen van alternatieve bronnen van mosselzaad maakt de sector minder afhankelijk van natuurlijke omstandigheden en kan leiden tot een vermindering van de druk op het Waddenecosysteem.
In samenwerking met de Stichting de Noordzee en de Waddenvereniging, heeft de garnalensector collectief besloten het traject voor MSC-certificering in te gaan. De eerste beoordelingresultaten worden eind 2008 verwacht. De verspreiding van de visserij, de bijvangst van vis en mogelijke effecten van de garnalenkor op de bodemfauna en -flora zijn de belangrijkste aandachtspunten.
In samenwerking met het streekproducten keurmerk Waddengoud brengt een groep Waddenzeevissers vis op de markt met een duurzaamheidslabel. Het belangrijkste product uit dit initiatief is tot dusver de gerookte harder die wordt afgezet in winkels voor biologische producten en op markten voor boerderijproducten.

Raad: er gebeurt te weinig?
De Raad meent dat het vigerende visserijbeleid en de wijze waarop dat wordt uitgevoerd niet zullen leiden tot het behalen van de beleidsdoelen in 2020. Als argumenten hiervoor worden aangedragen:
- de projecten gericht op verduurzaming  concentreren zich op één of enkele onderdelen van de totale bedrijfsvoering, in plaats van op alle onderdelen die moeten worden aangepast om het beleidsdoel te realiseren;
- een aantal visserijsectoren - waarvan nog niet is vastgesteld dat deze duurzaam zijn - houdt zich in het geheel niet bezig met verduurzaming';
- innovaties gericht op verduurzaming komen voort uit acute en actuele knelpunten; het geheel van innovaties ontbeert een vastgesteld einddoel.
Deze argumenten onderstrepen dat het visserijbeleid een richtinggevende definitie mist waarin wordt aangegeven wanneer er sprake is van duurzame visserij. Bovendien mist het beleid een overkoepelende visie is op de maatregelen die daarvoor nodig zijn.

Er moet een toekomstperspectief worden geformuleerd
De Raad komt in het advies tot de conclusie dat het bestaande beleid aangevuld moet worden met een concreet geformuleerd toekomstperspectief (met een streefbeeld waarin de einddoelen van het beleid worden geformuleerd). Een toekomstperspectief is nodig om het innovatieproces beter te kunnen regisseren. De Raad adviseert de Minister van LNV om het initiatief te nemen tot het opstellen van het perspectief, dat in ieder geval:
- mogelijkheden moet bieden voor sociaal-economisch duurzame visserijactiviteiten binnen een veilige gebruiksruimte;
- richtinggevend dient te zijn voor de innovaties die nodig zijn voor het realiseren van ecologisch duurzame visserijactiviteiten;
-  instrumenten moet bevatten voor een goede inbedding in de regionale, de economische en maatschappelijke functies;
-  de visserijsector dient te stimuleren om te werken aan een grotere maatschappelijke acceptatie en nieuwe vormen van ondernemerschap.
In het advies (hs 4) geeft de Raad al een aanzet voor het toekomstperspectief, waarbij aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan.

Een toekomstperspectief vraagt een gecoördineerd en gestructureerd veranderingsproces
Om een economisch en ecologisch duurzame Waddenvisserij te realiseren zijn ingrijpende veranderingen op meerdere beleidsterreinen nodig. Dit kan alleen worden bereikt via een gecoördineerd en gestructureerd transitieproces. De nationale, regionale en lokale overheden alsmede de belangrijkste belangengroeperingen moeten bij de uitvoering van het transitieproces worden betrokken.

In het advies doet de Raad een aantal concrete aanbevelingen die in het transitieproces aan de orde moeten komen.

In de eerste plaats wordt geadviseerd om de Waddenzeevisserij onder te brengen in het gebiedsgerichte beleid. Volgens de Raad is dit de manier om een goede integratie en afstemming binnen het integrale Waddenzeebeleid mogelijk te maken.

Bovendien wordt aanbevolen om voor de Waddenzeevisserij (bij voorkeur in trilateraal verband) grenzen aan de visserij te stellen met het oog op het beheer en de ontwikkeling van het Waddenecosysteem. Dit betekent dat zowel het ecologisch als economisch duurzame karakter van de Waddenzeevisserij in belangrijke mate zal moeten leunen op maatregelen die worden beargumenteerd vanuit de Natuurbeschermingswet, en meer in het bijzonder de instandhoudings-, herstel- en ontwikkelingsdoelstellingen voor de Waddenzee.

Daarnaast is de Raad van mening dat het huidige systeem van verhandelbare en beperkt beschikbare vergunningen en vangstrechten de mogelijkheden voor flexibilisering frustreert. Er zal daarom onderzoek moeten worden gedaan naar andere mogelijkheden van beheer en uitgifte van vergunningen en vangstrechten. In het onderzoek zullen in ieder geval de juridische en financiële gevolgen van het opkopen en opnieuw uitgeven van (delen van) vergunningen en vangstrechten worden meegenomen; het laatste is nodig om de kleine gemengde kustvisserij in de Waddenzee perspectief te kunnen bieden.

Ook zal volgens de Raad moeten worden ingezet op een programmatische aanpak gericht op de innovatie van het ondernemerschap in de visserijsectoren die actief zijn in de Waddenzee. 

U kunt het advies downloaden (pdf, 2,28 Mb) of in gedrukte vorm opvragen bij het secretariaat (zolang de voorraad strekt).

2007/03 Natuurgrenzen voor dagelijks gebruik

2007/03 Natuurgrenzen voor dagelijks gebruik

Zorgvuldig samenspel ecologie en economie blijvende opgave
De commissie Meijer stelde in het rapport 'Ruimte voor de Wadden' voor om in het Waddengebied Natuurgrenzen te introduceren. De commissie motiveerde dat belang met de onderbouwing dat natuurgrenzen een helder antwoord kunnen geven op de vraag welke activiteiten wel en welke niet toelaatbaar zijn in het Waddengebied. Meijer stelt voor om in de toekomst alle activiteiten in het Waddengebied te beschrijven en uit te voeren in de volgorde: natuurgrenzen vastleggen - monitoren - uitvoeren - bijstellen activiteit.
Er is toegezegd dat het kabinet de voor- en nadelen van natuurgrenzen in kaart zou brengen, halverwege de  periode van de huidige Planologische Kernbeslissing over de Waddenzee (PKB). Het Ministerie van LNV heeft de Raad voor de Wadden gevraagd om een advies op te stellen over het instellen en gebruiken van natuurgrenzen in het Waddengebied.

Zoeken naar grenzen blijkt evenwichtskunst
Het is belangrijk om vooraf te constateren dat natuurgrenzen grenzen zijn die door de natuur worden gesteld, en geen grenzen die aan de natuur worden gesteld. Mede om die reden blijkt het wereldwijd een lastige opgave te zijn om natuurgrenzen scherp te bepalen. Feitelijk gaat het steeds om het vinden van het juiste evenwicht.
In de benadering van de Raad staat het zoeken naar de onder- en de bovengrens van toelaatbare menselijke activiteit in het Waddengebied centraal.

De Raad voor de Wadden heeft verschillende invalshoeken voor het bepalen van natuurgrenzen onderzocht: de juridische aspecten, het maatschappelijke kader, natuurgrenzen vanuit ecologisch perspectief en vanuit economisch perspectief en tenslotte ook in trilaterale context. Ook is door de Raad verkend welke kennis- en modelontwikkeling noodzakelijk is om natuurgrenzen in het Waddengebied vast te kunnen stellen en op welke manier de uitwerking en ontwikkeling van deze grenzen kan worden gemonitord. De verkenning naar al deze aspecten is uitgewerkt in het advies 'Natuurgrenzen voor dagelijks gebruik'.

In dialoog met het bedrijfsleven
In de uitwerking van het advies hanteert de Raad als uitgangspunt, dat de introductie van natuurgrenzen zinvol is als belangengroeperingen in het Waddengebied de (mogelijke) meerwaarde ervan inzien. In een gedachtewisseling met het bedrijfsleven stond om die reden de zogeheten 'gebruiksruimte' op de agenda: het gebied waarin ecologische en economische belangen elk om een rol vragen. Juist voor deze gebruiksruimte moet de afweging plaatsvinden wat natuurgrenzen zijn die aan de belangen van economie en van ecologie recht doen.
Twee lijnen zijn herkenbaar in die dialoog. Ten eerste vraagt het bedrijfsleven om duidelijke regelgeving voor het Waddengebied, waardoor de bedrijfszekerheid en -continuïteit worden vergroot. Men ervaart de huidige vergunningverlening als te selectief en te subjectief. Ten tweede het ecologisch perspectief. Dat wordt gekenmerkt door de zoektocht naar een voorzichtig en veilig karakter voor het omgaan met kwetsbare natuurwaarden, in de gebruiksruimte én in het totale Waddengebied.

Natuurgrenzen hebben een voorlopig karakter
Economie en ecologie hoeven niet te botsen. Dat kan door vanuit beide invalshoeken te accepteren dat er altijd een mate van onzekerheid is aan de natuurgrenzen. Die onzekerheid wordt veroorzaakt door onvoldoende kennis en door de dynamiek van de natuur en de samenleving. Natuurgrenzen worden bepaald door de meest optimale keuze: er komen verschillende belangen in tot uitdrukking. De onzekerheid over de exacte begrenzing van de gebruiksruimte, hoeft in de opvatting van de Raad beslist geen beletsel te zijn om de grenzen toch concreet te formuleren. Maar: Natuurgrenzen hebben een voorlopig karakter. Ze moeten periodiek kunnen worden herzien op basis van nieuwe inzichten, of op basis van veranderde omstandigheden. Er is wel een houvast nodig dat aangeeft om welke redenen natuurgrenzen kunnen worden aangepast.

Juridische onderbouwing en kader voor natuurgrenzen
Een eerste stap naar dat houvast bestaat uit het benoemen van de juridische basis onder natuurgrenzen.
Europese richtlijnen en dus de Natuurbeschermingswet, blijven altijd het wettelijk en juridisch kader voor een stelsel van natuurgrenzen. De Raad voor de Wadden ziet mogelijkheden om een stelsel van natuurgrenzen binnen de bestaande kaders in te passen, zonder daarvoor weer extra nieuwe regels aan de bestaande toe te voegen. Daarmee kan de volgende stap naar het formuleren en vaststellen van de daadwerkelijke natuurgrenzen worden gezet.

Maatschappelijk debat over stelsel natuurgrenzen
De opvattingen in de maatschappij over de Wadden verschuiven. Ze gaan van nut, modernisering en kwantiteit meer in de richting van beleving, authenticiteit en kwaliteit. Kortom: van productieruimte naar consumptieruimte.
Belanghebbenden, gebruikers, natuurbeschermers en ecologen hebben niet zelden verschillende visies op de aarde en de rol van natuur en landschap. Deze vertalen zich vaak in verschillende opvattingen over wat als natuurgrens zou moeten gelden.
De maatschappelijke component mag daarom niet ontbreken in een stelsel van natuurgrenzen. Onderwerpen die aan de orde moeten komen zijn het natuurbeeld van waaruit natuurgrenzen worden bepaald, de vertaling van instandhoudingdoelstellingen in het beheerplan, vragen over nut en noodzaak van verschillende activiteiten in het Waddengebied en de gebruiksruimte, en de vraag of de ruimte binnen de natuurgrenzen wel volledig moet worden opgevuld.

In de toekomst zou een voortdurende terugkoppeling plaats moeten vinden van de fundamentele wetenschap én de kennis die wordt opgedaan met het Waddenbeheer, naar het maatschappelijke veld. Met die kennis en ervaring kunnen maatschappelijke afwegingen een rol spelen in het besluitvormingsproces.

Draagvlak door interactie
Maatschappelijke en economische systemen spelen in het Waddengebied tegelijkertijd een rol en beïnvloeden elkaar. De Raad voor de Wadden oordeelt daarom dat het beter om te spreken van een  'hybride systeem', dan over een puur natuurlijk systeem. In deze benadering is een rol voor ecologie, bedrijfsleven en maatschappij weggelegd. De keuze voor een transparant en interactief proces op basis van dit uitgangspunt, draagt bij aan het  vergroten van draagvlak voor politieke afwegingen en beslissingen. De politiek kan de gezamenlijke belangengroeperingen tegemoet komen door het beleid over economisch medegebruik van het Wad, duidelijk uit te leggen en een betrouwbare overheid zijn in de uitvoering en handhaving van regelgeving.

Plan van aanpak nodig voor ecologisch model
Het is belangrijk te weten welke kennis noodzakelijk is om vanuit het oogpunt van natuurwaarden de voor- en nadelen van een stelsel van natuurgrenzen te bepalen.
De huidige onzekerheden over het functioneren van het ecosysteem van de wadden, kunnen worden opgevat als opdracht voor het ontwerpen van een ecologisch (denk- of reken)model dat een rol kan spelen in het formuleren van natuurgrenzen. Omgekeerd geldt dat de uitwerking van natuurgrenzen ook richtinggevend kan zijn voor het formuleren en prioriteren van onderzoeksvragen. Er is een plan van aanpak nodig over het ontwikkelen van zo?n ecologisch (denk)model voor het waddenecosysteem, met inbegrip van strategieën voor gerichte verdieping van de ecologische kennis.

Monitoren met kwaliteit
Een groot deel van de kennis over de basisfuncties van het Waddenecosysteem, moet uit een basismonitor voor de (trilaterale) Waddenzee komen. Zo'n basismonitor moet wetenschappelijk worden voorbereid, om te onderbouwen wat nodig is om de basisfuncties van het Waddenecosysteem goed te monitoren.

Monitoring van de Waddenzee vereist ook een eenduidige regie. Plannen voor nieuwe activiteiten moeten altijd gebruik kunnen maken van de kennis en gegevens die uit de basismonitor komen. Daarom moet het resultaat van de monitor breed beschikbaar zijn en is het nodig dat iedereen met dezelfde basisgegevens werkt. Dat vereist strikte afspraken over de kwaliteit van de monitor.

Natuurgrenzen en economische ontwikkeling
Ondernemers zijn gericht op bedrijfscontinuïteit en hebben daarom behoefte aan een eenduidig vergunningstelsel. Die behoefte is legitiem, maar momenteel niet zonder meer eenduidig te vervullen. De voorspelbaarheid van de uitkomst van vergunningaanvragen is en blijft in hoge mate afhankelijk van de aard en omvang van de effecten van een economische activiteit waarvoor vergunning wordt gevraagd. Een stelsel van natuurgrenzen biedt mogelijkheden voor verbetering.
Het is kansrijk om de gebruiksruimte zo te formuleren, dat abrupte omslagpunten (wel of geen vergunning) zoveel mogelijk worden vermeden. Door de gebruiksruimte niet volledig te gebruiken voor economische activiteiten ontstaan marges, waardoor ondernemers ruimte krijgen om tijdelijk af te kunnen wijken van de (vergunning-)norm. Door bovendien onder- en bovengrenzen te stellen aan natuurgrenzen, ontstaat ook hier ruimte voor marges op economische activiteit. Dat vergroot de stuurbaarheid van activiteiten in het gebied, bijvoorbeeld door ruimte te geven aan innovaties en experimenten.

Nederlandse keuzes in harmonie met Duitse en Deense partners?
Omdat de Waddenzee één ecosysteem vormt, is de vraag gerechtvaardigd of een stelsel van natuurgrenzen ook op de Duitse en de Deense Waddenzee toepasbaar kan zijn. Aangezien de natuurbeschermingswetgeving van de drie landen voortvloeit uit dezelfde Europese wet- en regelgeving, is dit juridisch zeker mogelijk. Het is een kwestie van politieke urgentie of het ook daadwerkelijk zal gebeuren. Het is noodzakelijk om beide andere Waddenzeelanden te overtuigen van het belang en de meerwaarde van een dergelijk stelsel, als instrument om het Waddenzeebeleid te harmoniseren.

De Raad voor de Wadden adviseert om het onderzoek naar de mogelijkheden voor invoering van een stelsel van natuurgrenzen vanaf dit moment samen met de Duitse en Deense overheden uit te voeren.

Streefbeeld nodig om grenzen te bepalen
Het ministerie van LNV zal het voortouw moeten nemen in het verwerven van draagvlak voor het bepalen van natuurgrenzen. Belangengroeperingen zullen op hun beurt hun verwachtingen, wensen en eisen over natuurgrenzen uit moeten werken. Daarvoor is houvast nodig, in de vorm van een streefbeeld: wat willen we wel en wat willen we niet in de Waddenzee.

U kunt het advies downloaden (pdf, 3,26 Mb) of in gedrukte vorm opvragen bij het secretariaat (zolang de voorraad strekt).  

2007/02 Duurzame ontwikkeling van het potentieel van de zee; visie op geïntegreerd maritiem beleid

2007/02 Duurzame ontwikkeling van het potentieel van de zee; visie op geïntegreerd maritiem beleid

In samenwerking met de Raad voor het Landelijk Gebied, de Raad voor Verkeer en Waterstaat  en de VROM-raad

HOOFDLIJNEN ADVIES

Ontwikkel het economische en ecologische potentieel van de Europese zeeën en oceanen
De Europese zeeën en oceanen, waaronder de Noordzee en Waddenzee, herbergen een groot economisch en ecologisch potentieel. Tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat de druk ten gevolge van menselijke activiteiten op de zeeën groot is en toeneemt. De Europese Commissie wil een Europees Maritiem Beleid ontwikkelen waarmee het potentieel van de Europese oceanen en zeeën zich optimaal en duurzaam kan ontwikkelen. Dat beleid met zorgen voor de juiste balans tussen economische, sociale en milieuaspecten.

De Raad voor de Wadden, de Raad voor het Landelijk Gebied, de Raad voor Verkeer en Waterstaat, en de VROM-raad achten dit een haalbare opgave. Daarvoor is dan wel een ingrijpende beleidsvernieuwing noodzakelijk, voor Nederland en voor Europa. Ontwikkelingen zullen ten eerste moeten aansluiten bij de werking van het zeesysteem. De dynamiek van de zee kan kansen bieden voor nieuwe economische ontwikkelingen maar stelt daar ook beperkingen aan. Ten tweede moeten de betrokken overheden kiezen voor een offensieve benadering. De overheid dient ruimte te creëren voor en sturing te geven aan de ontwikkeling van het maritieme en mariene potentieel. Dat vraagt om een ambitieuze overheid.

Voor de duurzame ontwikkeling van de oceanen en zeeën is meer nodig dan een overheid die zich richt op toetsing en toelating van activiteiten.

Uitwerking van een ontwikkelingsgerichte benadering
De raden bepleiten een programmatische uitwerking van de systeemgerichte ontwikkeling van het potentieel van de zee.
De huidige op toelatingsplanologie geënte wijze van beheer zal namelijk op de langere termijn onvoldoende bijdragen aan de gewenste duurzame economische en ecologische ontwikkeling. Het feit dat het beleid hoofdzakelijk is gericht op beperking van schade (bijvoorbeeld visserijbeleid, milieubeleid) in plaats van op de optimalisering van functies in de context van de werking van het systeem, staat duurzame ontwikkeling in de weg. De programmatische uitwerking die de raden voorstaan bestaat uit de volgende bouwstenen:

* strategische gebiedsvisies voor samenhangende regionale zeesystemen;
* inzicht in samenhang tussen verschillende gebiedswaarden en functies;
* lange termijndoelstellingen voor economie en ecologie, met concrete indicatoren;
* plannen en investeringen gericht op duurzame economische en ecologische ontwikkeling;
* monitoring, evaluatie en terugkoppeling, afgestemd op de gestelde indicatoren.

Inzet voor maritiem beleid op verschillende bestuurlijke niveaus
De raden zijn van mening dat bij het omgaan met de zeeën regionale verschillen tussen zeesystemen gerespecteerd dienen te worden. De boven genoemde ontwikkelingsgerichte benadering zal daarom op regionaal niveau, door alle betrokken staten gezamenlijk, uitgewerkt dienen te worden. De raden zien hierbij voor de EU een belangrijke rol, namelijk:

* het formuleren van een strategisch kader: uitwerking van de grondgedachte in een ontwikkelingsgerichte en op het integrale systeem gebaseerde benadering;
* het vaststellen van een richtlijn: voorschrijven van regionale uitwerking en implementatie van integrale maritieme programma?s op grond van het strategisch kader;
* het ontwikkelen van sturingsinstrumenten: uitwerking van diverse sturingsinstrumenten die toepasbaar zijn bij een ontwikkelingsgerichte benadering.

Daarnaast zien de raden voor de Europese Unie een meervoudige opgave als het gaat om het zijn eigen beleid en organisatie. De Europese Commissie benadrukt in het Groenboek zelf het belang van integratie van beleidsterreinen.
Voor een offensief ontwikkelingsgericht beleid is ook een integratieslag noodzakelijk in de Europese regels en beleidslijnen die van toepassing zijn op mariene en maritieme aangelegenheden. 

U kunt het advies downloaden (pdf,  448 Kb) of in gedrukte vorm opvragen bij het secretariaat (zolang de voorraad strekt).  

2007/01 Naar een sterk en houdbaar B&O-plan

2007/01 Naar een sterk en houdbaar B&O-plan

Het voorliggende advies, gericht aan het Regionaal Coördinatiecollege Waddengebied, gaat in op de modulaire opbouw van het Beheer- & Ontwikkelingsplan voor de Waddenzee (B&O-plan) en op de integratie van beheerplannen in het uitvoeringsdeel (deel B) van het B&O-plan.
Omdat de Raad uiteindelijk geen adviesaanvraag heeft ontvangen, betreft het hier een ongevraagd advies. Te zijner tijd zal de Raad advies uitbrengen over de inhoud van het B&O-plan.

Met dit advies vraagt de Raad aandacht voor enkele belangrijke komende wetswijzigingen die van invloed zijn op het B&O-plan en wijst de Raad op enkele knelpunten die nog opgelost moeten worden. Het inmiddels ingezette proces waarin de overheden werken aan een gezamenlijk B&O-plan is waardevol en verdient het voortgezet te worden.

U kunt het advies downloaden (pdf,  4,03 Mb) of in gedrukte vorm opvragen bij het secretariaat (zolang de voorraad strekt).